Pathé : langs berg en dal

Geschreven door Jan Cuypers.

Grammofoons hadden  vroeger geen elektriciteit nodig. Een stalen naald tast de groeven van de plaat af en geeft het geluid door aan een mica schijfje, dat deel uitmaakt van de “toonkop”. Een hoorn koppelt het aan de omgevingslucht en geeft het zo door aan de oren van de luisteraar.

Maar in de collectie van het Omroepmuseum zitten twee toonkoppen waaraan geen stalen naalden zitten, maar een soort vast staafje.

image002image004image006

En dat staat onder een hoek ten opzichte van de behuizing, zie de afbeelding. Ze zijn beide van het merk Pathé, de ene met Engelse, de andere met Franse opschriften.

 Op de Franse staat ook een Pathé-embleem : een persiflage op de klassieke discuswerper die hier met een … grammofoonplaat gooit. In één versie draagt hij het opschrift “Les disques Pathé chantent sans aiguille”, maar daarvoor was er hier net te weinig plaats. Dan moet dat toch iets speciaals zijn?

In feite is het een voorbeeld van “remmende voorsprong”, of ook het blijven vast houden - ondanks alles - aan een principe dat ooit uitstekend was, maar later achterhaald blijkt. De toonkoppen zijn uitsluitend bruikbaar met Pathé-platen, die gesneden waren met verticale modulatie, ook wel diepteschrift of “hill-and-dale” genoemd. De meeste andere platen werden lateraal gesneden. Hierover verder meer. Pathé gebruikt speciale naalden uit saffier, een edelsteen – in feite een aluminiumoxide – die lang meegaat. Het uiteinde heeft de vorm van een bal eerder dan een punt zoals bij stalen naalden.

De gebroeders Pathé geloven in de Edisonrol :

We kennen Edison als de uitvinder van de rollenfonograaf (1877). Rond 1890 komt hij op de markt met vooropgenomen wasrollen. (Met de toestellen van Edison kon men ook zelf opnames maken.) De gebroeders Pathé, die in Parijs een café uitbaten, geloven in de moderne audiovisuele media. Ze zijn geïnteresseerd in de fonograaf, ook in film trouwens. Ze beginnen met de productie van rollen die op de fonograaf konden weergegeven worden, en later ook van hun eigen rollenfonografen.

Intermezzo 1 : Hoe werkt zo’n fonograaf nu eigenlijk?image008

Deze tekening is uit de Nouveau Larousse Illustrée 1898 pag. 851 :

 Een cilinder C is bevestigd op een lange schroef. Als men ze ronddraait, verplaatst ze zich ook zijdelijngs. Rond die cilinder zit een koker F uit harde was. Het geluid brengt via het mondstuk E het membraan T tot trilling. Die trilling wordt doorgegeven aan een graveernaald P die door een veer R op zijn plaats gehouden wordt. De graveernaald snijdt in de wasrol een spiraalvormige groef uit waarvan de diepte varieert met het geluid.

Het wordt misschien duidelijker met de afbeelding van een vroeg demotoestel uit het Smithsonian museum : (Bron:  www.britannica.com/technology/phonograph) 

image010

Hieronder zien we een eenvoudige animatie. Een geluidstrilling verandert de diepte van de groef. De foto ernaast toont hoe dit oogt op een commerciële Edisonrol.

vertikaalimage012

We zien dat de groeven vlak naast mekaar liggen. Bij de luide passages overlappen ze zelfs eens beetje : de wanden duwen elkaar weg. Dat is geen bezwaar omdat toch de dieperliggende flanken van de groef afgetast worden. Geen risico om bij weergave van groef te verspringen dus.

Wat is de speelduur van zo’n rol? De totale lengte van een standaardrol bedraagt 11 cm, buitendiameter ongeveer 5,7 cm. Met een meetlat erbij – elk streepje is een millimeter - kunnen we aflezen dat er 40 groeven per cm zijn, dat stemt overeen met 100 groeven per inch, de toenmalige norm. Op het deksel van de doos lezen we dat hij moet draaien aan 160 omwentelingen per seconde, en deze rol is over een lengte van ongeveer 8,8 cm opgenomen.

Dan is de speelduur : 40 (groeven/cm) x 8,8 (cm lengte) / 160 = 2,2 minuten. Later kwamen er rollen op de markt met 200 groeven/inch, speelduur 4 minuten dus.

image014

 

 image016 

Vergelijken we dat met een klassieke 78-toerengrammofoonplaat. De geluidsinformatie is niet in de diepte, maar in de zijdelingse verplaatsing opgeborgen. De groeven van zo’n plaat blijven altijd even breed (en diep), maar slingeren heen en weer op het ritme van het geluid. Ze zijn ongeveer even breed als de “wal” tussen twee groeven.

 

horizontaal image018 image020 

We tellen zo’n 38 groeven per cm, 96 per inch, een standaardwaarde voor 78-toerenplaten. Voor een plaat van 30 cm diameter is er maximaal 9 cm beschikbaar voor de “content”, dus is de maximale speelduur : 38 / 78 x 9 = 4,38 minuten. In de praktijk duurde een plaatkant gewoonlijk een drietal minuten.

Intermezzo 2 : Hoe worden deze wasrollen vermeerderd?

De productie van grammofoonplaten is eenvoudig : de materie wordt tussen twee delen van een matrijs geperst zoals een Luikse wafel en klaar is Kees. Bij fonograafrollen is zo’n procedé onmogelijk. Maar hoe kwam men dan wel aan voldoende verkoopbare –zie de catalogusnummers op de doosjes van Pathé en Edison - exemplaren?

image022

Het klinkt onwaarschijnlijk, maar tot ongeveer 1900 werden de rollen individueel ingezongen! Het is moeilijk aan te nemen dat een bekende operastem een aria bijvoorbeeld 500 keer zou inzingen, en dat was ook niet het geval. Men maakte gebruik van goede maar niet zo bekende zangers die een muziekstuk per dag veertig (!) maal of meer uitvoerden. Niet voor niets heetten ze bij Pathé de forçats (de dwangarbeiders). Van rechten van uitvoerende kunstenaars was toen nog geen sprake. De zangers en de meestal kleine orkesten zongen in een grote hoorn, die verbonden was met verscheidene opnametoestellen. Zo kwam men toch vlot aan grotere aantallen.

We weten niet van wanneer de opname van Bergeret dateert (de Pathérol links). Beluister hier twee verschillende opnames – de aankondiging is verschillende - met hetzelfde catalogusnummer! (Uit www.phonobase.org/audio)

Versie 1 :

Versie 2 :

Daarna kwam de periode van de “poisson”, de vis van Pathé.  Andere producenten hadden iets gelijkaardigs, evenwel met een minder sprekende naam. Die vis was een soort pantograaf waarvan de vorm doet denken aan een vis. Een afleessaffier volgt de sporen van een opgenomen cilinder terwijl aan het andere uiteinde een graveerstift dezelfde informatie uitsnijdt in een maagdelijke rol. (Onderstaande figuur is afkomstig van de uitstekende website www.delabelleepoqueauxanneesfolles.com) 

image024Vanaf 1905 brengt Pathé platen op de markt, en op deze figuur wordt de “vis” toegepast om een plaat te snijden vertrekkende van een speciale grote rol. Aan het rechteruiteinde van de elliptische vorm tussen plaat en rol zit de afleessaffier, links de beitel die een plaat graveert, uiteraard in diepteschrift. In het midden hangt een rond gewicht om de juiste druk te verkrijgen; de arm links  geleidt de snijbeitel via de verbinding met het wormwiel rechts. Het graveren van rollen ging gelijkaardig, de blanco rol zat op de plaats van de plaat. Er waren wel beperkingen : uit kwaliteitsoverwegingen worden de groeven aan een lagere snelheid afgetast, zodat het snijden van een rol van twee minuten zo’n twintig minuten duurt. Men kan maximaal 30 kopies maken vanaf één rol, dan is de slijtage van de groeven merkbaar.

Uiteindelijk komen er manieren om rollen te “persen”. Om een “negatief” te maken bedekt men een pas gesneden rol met geleidende koolstof. Bij Edison was dit een goudlaagje : “Gold moulded”. Door een elektrisch procédé wordt daarop een dikke koperlaag afgezet en nadat de wassen cilinder weggesmolten is, heeft men een koker met aan de binnenkant een negatief van de originele groeven. De kunst bestaat er in van de binnenzijde te bedekken met een product dat lichtjes krimpt als het afkoelt, zodat men het kan verwijderen zonder de groeven te beschadigen. Edison gebruikte in het begin van de eeuw verschillende wassoorten die wel wat bros waren, getuige dit korte filmpje : 

 

 

Pathé was toen al overgeschakeld op celluloid, materiaal dat gebruikt werd voor halsboorden, biljartballen, pianotoetsen en fotofilms. Celluloid is gemakkelijker te behandelen en steviger dan was en het werd na verloop van tijd ook door Edison gebruikt om rollen te persen. De Edisonrol van de foto is van was (in feite een zeep, met ondermeer aluminiumstearaat) , de Pathérol vermoedelijk van celluloid.

Maar keren we terug naar het begin van het artikel : de speciale toonkoppen voor diepteschrift. Rond 1900 verschijnen er stilaan grammofoonplaten op de markt, en ze krijgen succes. Pathé en Edison kunnen niet achter blijven. Ze hebben een cilindercatalogus opgebouwd en die kopiëren ze naar platen met de “vis”-methode van de schets hierboven. Pathé stopt in 1914 met de productie van cilinders, maar ze blijven speciale grote cilinders gebruiken als masters om hun grammofoonplaten te maken. Ze beweren dat de kwaliteit dan beter is, en misschien was dat wel zo.

image026De eerste wereldoorlog brengt een explosieve groei mee van platen en spelers, ook aan het front. Maar de meeste merken graveren wel in zijdelings schrift en die zijn niet compatibel met het diepteschrift. De markt voor Pathé begint zienderogen te krimpen. De doodsteek komt wanneer vanaf 1925 de platen niet meer met een grote hoorn maar elektrisch opgenomen worden. De Pathétechnologie is dan volledig achterhaald. In 1929 stoppen ze met de productie van platen in diepteschrift. De “disque à aiguille” heeft gewonnen.

  

 

 

Tenslotte nog iets over de Edisonrol van de foto : Blijkbaar behoorde hij toe aan het NIR-INR. Wellicht in de vroege image028periode, begin jaren 1930, toen de elektrische opnames nog nieuw waren en het repertoire beperkt. Er moeten bij de toenmalige omroep dus ook toestellen geweest zijn om deze rollen weer te geven en uit te zenden … Op de doos kleeft een etiket met daarop VI-RO. Het is voorlopig een raadsel wat dit betekent; het is mogelijk een tweetalige afkorting….. Tenslotte zijn langs de rand van dit halfrond etiket de getallen van 1 tot 30 gedrukt. We hebben dezelfde etiketten ook gezien op 78-toerenplaten. (Vandaar de vorm wellicht.) Zou het misschien de bedoeling zijn van bijvoorbeeld door middel van kruisjes aan te geven hoe dikwijls de cilinder of de plaat al weergegeven is? Pathé gebruikte zijn moederrollen ook maar dertig maal ….    

 

Een honderdjarige zanger met een iconische microfoon : RCA 44B

Geschreven door Jan Cuypers.

image002Die honderdjarige is Frank Sinatra, die op 12 december 1915 in Hoboken geboren werd; Hoboken New Jersey weliswaar.

RCA 44 B gesloten redEn de beroemde microfoon was de standaard-studiomicro van de vooroorlogse Flageystudio’s : de RCA 44B. Het NIR was in goed gezelschap : De natuurgetrouwe, warme klank van deze microfoon maakte hem populair in de Amerikaanse muziekstudio’s en bij de Amerikaanse crooners van de jaren ‘30 tot ‘50. Van Bing Crosby, over Sinatra tot Elvis Presley. Nu nog zijn van deze microfoon nieuwe, onverholen imitaties op de markt (bijvoorbeeld de AEA R44CE).

 

image004Wat maakte hem zo speciaal? Het is een zogenaamde bandmicrofoon (ribbon mike). Een heel dun aluminium lintje (of bandje) dat slechts lichtjes opgespannen is trilt tussen de polen van een hoefijzermagneet en zet zo geluid om in spanning. De microfoon is gevoelig voor geluid dat invalt langs voor en achter, maar niet langs de zijkanten, langs onder of boven. Men zegt dat hij bidirectioneel is, in tegenstelling tot de andere microfoons van die tijd (de jaren dertig), die rondomgevoelig, omnidirectioneel, waren. Ze vangen minder omgevingsgeluid op dan deze laatste soort, en dat maakt ze ondermeer  geschikt voor zanggroepen, of studiogesprekken, met de deelnemers elk aan één kant van de tafel, de micro er tussen in. Of zoals in dit doorkijkje naar de luisterspelstudio in het Flageygebouw.

blik in ls-studio

 

Hoe werkt hij?image006

Denken we even al het overbodige weg. De zwarte u-vormige stukken boven- en onderaan zijn magneten. De twee heldere vertikale staven in het midden vormen de poolschoenen. Daartussen zien we de in zigzag geplooide band. Boven- en onderaan zijn er schroefjes en plaatjes die de band inklemmen. In het midden is hij beschadigd. (Dat was hij al voor ik de microfoon open schroefde.) Onderaan zien we (geel) een van de draden die de opgewekte spanning afvoeren.

Wat is er speciaal? Zowel langs voor als langs achter kunnen geluiden invallen op het bandje en het doen meetrillen. Die trillingen wekken dan een elektrische spanning op.

image008Maar om langs achter het bandje te bereiken moet geluid dat langs voor invalt een omweg maken langs de poolschoenen heen. De afgelegde weg is dus groter, het komt achteraan iets later toe, en er is een faseverschil. De netto trilling van het bandje – en dus de uitgangsspanning - is maximaal.

Wanneer de geluidsgolf schuin invalt is het faseverschil kleiner, en zal het bandje minder sterk trillen.

Het is duidelijk dat een golf die langs zij invalt de voor- en achterkant van het bandje te zelfder tijd bereikt, en dus geen netto-effect heeft. De uitgangsspanning is dan nul.

(Tekeningen uit “Microfonen” van Willy De Boeck, uitgave BRT Instructiecentrum.)

Zo’n eenvoudig bandje van een vijftal cm lang wekt natuurlijk maar een kleine spanning op. Daarom zit in de onderkant van de microfoon een transformator die de uitgangspanning verhoogt.

Om een vlakke, brede frequentieweergave te hebben moet het bandje zeer licht zijn, en (bijna) vrij kunnen bewegen. Het is daarom ongeveer 1,5 micrometer dik ( huishoud alufolie is ongeveer 15 micrometer dik) en in zigzag geplooid. Het is zo licht dat men zijn adem moet inhouden bij het monteren. Het betekent ook dat het zeer gevoelig is voor luchtverplaatsingen. Daarom gebruikt men dit soort microfoons nooit buitenshuis, en zit er voor het bandje (en ook er achter uiteraard) een ingebouwd plofscherm met zijdedoek. Zie de volgende foto.RCA 44 B open red

 

 

We moeten ook nog vermelden dat de microfoon des te gevoeliger is voor lage tonen naarmate de geluidsbron dichterbij is. Het zou ons te ver leiden om dit hier te verklaren, maar om hieraan te verhelpen kan men onderin bij de elektrische verbinding kiezen tussen twee mogelijkheden : muziek of spraak , (zie de “V”, voice, op de verbinding onderaan) waarbij de lage frequenties verzwakt worden. Er is ook keuze tussen de impedanties 50 of 250 ohm.image010

 

Zie de frequentiekarakteristiek en de richtingskarakteristiek uit de RCA-catalogus van 1939.

image012

De microfoon is begin dertiger jaren van vorige eeuw uitgevonden door Harry Olson, de bekende RCA-akoesticus. image014(RCA en Western Electric streden toen voor de dominantie op audiogebied.) Een etiket binnenin vermeldt onder meer zijn Amerikaans octrooi 1.885.001 van 25 oktober 1932. (Zie  http://www.freepatentsonline.com/1885001.html .)

In zijn octrooi stelt Olson verschillende uitvoeringen voor. Zo ook deze hieronder. Ze hebben telkens bovenaan een dikke spoel : een elektromagneet.

image016In die tijd waren de permanente  magneten onvoldoende krachtig voor een goed resultaat. In de erop volgende jaren komt daar verandering in; in de productiemodellen hebben we een gewone magneet boven- en onderaan.

Als uitsmijter kunt u luisteren naar het lied dat de Amerikanen naar eigen zeggen de tweede wereldoorlog mentaal heeft doen overleven. Het lied van Irving Berlin werd in première gezongen door Kate Smith op 11 november 1939. Zo’n zangeres kan twee RCA-microfoons gebruiken. De kwaliteit van de opname doet natuurlijk geen recht aan de kwaliteit van de RCA 44 zelf. Het fragment komt uit de film uit 1942 “This is the Army”. U herkent ongetwijfeld de jonge Ronald Reagan.

 

Smith

Een edisonrol bij het NIR

Geschreven door Jan Cuypers.

image002In een artikel over Pathé (zie hier ) komt een Edisonrol (of cilinder) ter sprake die vroeger eigendom was van het NIR. Hij is dus mogelijk bij de eerste uitzendingen (vanuit de Bolwerkstraat in Elsene) gebruikt. Hij draagt het nummer 13361 en heeft als de titel Suzannah’s Long Stocking. Zo’n prikkelende titel maakt  toch wel nieuwsgierig naar de inhoud van de rol. Hij dateert tenslotte uit de Belle Epoque :

Het is een “Gold Moulded” record en dat geeft al een tijdsindicatie. Op de website van de British Library staat de Edisoncatalogus van juli 1907 on line (zie hier) en inderdaad, daar komt de rol voor onderaan pagina 17. Hij is ingezongen door de toendertijd zeer populaire Australische zangeres miss Florrie Forde (1875 - 1940). De componist is de toen nogal bekende Bennett Scott (1875 - 1930). Dat stemt overeen met de informatie op ons doosje. We leren trouwens uit de catalogus ook dat een Edisonrol toen 1 shilling kostte.

Die catalogus is trouwens op zich redelijk indrukwekkend. Hij bevat het Britse en Amerikaanse Edisonrepertoire en is 64 pagina's dik. Ruw geschat komen we uit op ongeveer 1800 - 1900 verschillende rollen. Dat is een aanzienlijk aanbod, als we bedenken dat fonografen en cilinders maar een vijftiental jaar ervoor op de markt gekomen waren, en niet speciaal voor ieders beurs. Hoeveel exemplaren van elke rol gemaakt werden weten we niet. Met het Gold Moulded-procédé waren er dat makkelijk honderden, misschien zelfs duizenden.  

 

Terug naar ons lied. Als we verder zoeken vinden we in de National Library of Australia zelfs de pianopartituur en de tekst, die laatste enkel voor de eerste strofe.  

 

Op de voorpagina prijkt Miss Florrie Forde in volle glorie met outfit, pardon gewaad en hoed image004zoals we ons een diva voorstellen. We kennen nu ook de tekstschrijver, A.J. (Arthur J.) Mills (1872 - 1919) die trouwens veel met Bennett Scott samenwerkte. Alles bij mekaar een ijzersterk trio!

Klik op de foto voor de volledige brochure!

 

Een kleine ontgoocheling : het lied gaat over een jongeman George, die een oogje heeft op Suzannah. Dat is een winkelierster die goed bij kas zit. Ze heeft een goo-goo eye en een sweet-stuff shop. De Long Stocking bevat dus niet een welgevormd been van de Suzannah in kwestie, maar wel haar spaargeld. Geld in een oude sok dus, geen romantiek. Hoewel ... de Urban Dictionary  leert ons over goo-goo eyes: 'Puppy dog' eyes made towards the object of your affection. A form of flirting....... 

Maar genoeg getreuzeld, tijd om de rol zelf te beluisteren. Met dank aan Marc voor het digitaliseren. Zoals toen de gewoonte was worden de "metadata" mondeling vermeld bij het begin van de opname.

 

______________________________________________________________

De lipmicrofoon

Geschreven door Jan Cuypers.

Voor de tweede wereldoorlog waren de jaarlijkse voetbalderby’s België – Holland enorme publiekstrekkers. En vanaf het begin zorgden de publieke omroepen voor rechtstreekse reportages die gretig beluisterd werden. De luisteraarsGustDeMuynck thuis leefden erg mee met de nationale ploeg en de uitzendingen zorgden mede voor de populariteit van de omroep en zijn sterreporter Gust De Muynck. We zien hem hier de reportage verzorgen vanaf het dak van de tribune van de Hel van Deurne, de toenmalige bijnaam van het Bosuilstadion.

Zijn strategische plaats geeft hem een goed overzicht, en zijn microfoon is ook wat verder verwijderd van het geroep van de supporters. En het staat goed op de foto natuurlijk, aan imagobuilding werd toen ook al gedaan. Maar erg veilig is zo’n uitkijkpost niet, en misschien had de reporter wel hoogtevrees. Er moesten andere manieren zijn om de stem van een verslaggever duidelijk, onvervormd en vrij van omgevingslawaai op te pikken, ook in luidruchtige omgevingen.

Wat is daarvoor nodig? Een microfoon die geluid uit de gewenste richting goed opvangt, maar die minder gevoelig is voor omgevingsgeluid. Een bandmicrofoon beantwoordde in de jaren 1930 aan het plaatje, de microfoon van De Muynck niet. Het is wel vervelend dat de gevoeligheid van de bandmicrofoon voor lage frequenties toeneemt voor nabije geluidsbronnen. Crooners maakten daar wel graag gebruik van : als ze dichter bij de microfoon zongen dan werd hun stem direct warmer.

rikdesadeleerWat er ook van zij, de BBC wendde die eigenschap tot een voordeel aan : In 1937 ontwierp de BBC samen met Marconi een micro die tientallen jaren lang bij het NIR/BRT en vele andere omroepen hét onafscheidelijke gereedschap van de sterreporters zou zijn : de L1 lipmicrofoon.

We zien hier de VRT-sterreporter Rik De Saedeleer met een latere uitvoering van zo’n microfoon. (Foto VRT)

Het Omroepmuseum heeft een originele lipmicrofoon in zijn collectie, wellicht van kort na de oorlog. Hij zit in de oorspronkelijke houten koffer waarin de microfoon geleverd werd en waarin hij door de verslaggever van de ene voetbalmatch naar de andere atletiekwedstrijd meegenomen werd.  De koffer meet ongeveer 40 x 16 x 28 cm en heeft een lederen draagriem; de originele scharnieren zijn ooit door de omroep vervangen door een stevig pianoscharnier met schroefjes. Op het deksel staat in witte verf “VLAAMSE REPORTERS”.

koffertjeredinhoudkofferred

Als we de koffer openen, blijkt dat de ontwerpers over alle aspecten van koffer én micro goed nagedacht hebben.  

Onderaan zit de microfoon stevig vast met dikke witte vilten kussens. Gelijkaardige kussens in het deksel houden alles onbeweeglijk en schokvrij vast. (Klik op de foto voor een volledig beeld.) Links zit het gevoelige element met onderaan een soort beugel. Met die beugel drukt de spreker de microfoon rond de lippen tegen het aangezicht. We zien  52144673 colemandat soort beugel op de foto links. Op de rechterfoto staat de latere uitvoering met een beugel die letterlijk tussen neus en lippen gehouden wordt. (Foto’s BBC, de persoon is David Coleman, Engelse sterreporter) Om te spreken moet de microfoon wel op het aangezicht rusten!

Terug naar de koffer. Rechts het stevig handvat, dat origineel met rubber overtrokken was en één geheel vormt met de microfoon. De microfoonkabel is ettelijke meters lang en eindigt aan een doos, waarin een filter de lage frequenties verzwakt. Die filter heeft drie standen, te kiezen al naar gelang van de stem van de reporter en de kwaliteit van de telefoonlijn. Die lijn (of bij voorkeur een versterker) wordt aan de rechterklemmen aangesloten. Het doosje kan moeilijk altijd open blijven. Om de draad niet te knellen zijn er links en rechts in de hoeken van deksel en doos twee kanaaltjes uitgeboord, langs waar de kabels buiten kunnen als de koffer toch dicht is. Mooi.

Het opschrift op de audiofilter (de BBC-Marconi equaliser unit) bevat een belangrijke informatie, met name het Britse octrooi : nummer 506668. Die kan men via het internet (espacenet.com) raadplegen. Bekijken we de tekening van het octrooi even nader.

Het stelt de doorsnede van de volledige microfoon voor. Bovenaan in de “kooi” bevindt zich de bandmicrofoon. Voordoorsnedemicrofoonred nadere uitleg over de werking van de bandmicrofoon zie het artikel over de RCA 44. Een licht aluminium bandje is opgehangen tussen de polen van een hoefijzermagneet. Rechts zien we de beugel die tegen het aangezicht moet gehouden worden, van daar komt dus het geluid. Het bandje zelf is “13”, de gesloten kant van de hoefijzermagneet is naar de spreker gericht. Hij vormt zo een barrière tegen luchtverplaatsingen bij explosieve klanken, bandjes zijn daarvoor zeer gevoelig. Het geluid moet  langs de boven- en zijkanten tot het bandje doordringen. Daartoe zijn er D-vormige openingen voorzien in de benen van de hoefijzermagneet. Om geen trillingen en andere contactgeluiden door te geven, is het geheel in de kooi opgehangen aan stalen veren “2” die met vilt gedempt worden.

De voorkant met de beugel kan gemakkelijk verwijderd worden (zie verder) om te reinigen (denk aan speeksel enz.)

We weten van het artikel over de RCA 44 dat een bandmicrofoon een zeer lage uitgangsspanning heeft en dat een transformator nodig is om deze spanning te verhogen. Hier is deze trafo op een zeer originele plaats ondergebracht, namelijk in het handvat : element “7”. Bij een bandmicrofoon worden de lage frequenties versterkt voor nabijgelegen geluidsbronnen : het nabijheidseffect. Door het principe van de lipmicrofoon is de afstand van het gevoelige bandje en de mond van de spreker constant, en dus de versterking van de lage frequenties ook. De trafo in het handvat van zijn kant is zodanig ontworpen dat hij de deze frequenties in evenredigheid verzwakt, zodat de totale frequentiekarakteristiek vlak is, en de weergave dus natuurgetrouw.

Als we de voorkant van onze microfoon verwijderen, kunnen we nagaan hoe het in werkelijkheid er uit ziet.

aanzichtmicrofoonredmicrofoongeopendred

We zien de gebogen voorzijde van de hoefijzermagneet. Daarboven lopen de witte elektrische aansluitdraden. Onder en boven in V telkens twee ophangveren. De achterste zijn onzichtbaar op de foto. Aan de buitenzijde bovenaan (links op de foto) bevindt zich een verschuifbare, ronde pastille. Onderaan de kooi is er net zo een. Die hebben op het eerste gezicht geen functie. Tot men de microfoon in de koffer opbergt : als de microfoon op de juiste plaats zit, duwen twee houders de pastilles naar achteren. Daarbij blokkeren ze de hoefijzermagneet op een vaste positie, zodat hij niet kan trillen en eventueel beschadigd worden bij transport. Ik had toch gezegd dat aan alles gedacht was?

De microfoon werd in de loop der jaren verbeterd; in 1952 werd de “mondbeugel” vervangen door de beugel tussen neus en bovenlip, waarschijnlijk was dat minder storend voor de gebruiker. In die versie komt hij het meeste voor. Het is ongelofelijk, maar hij is nog altijd verkrijgbaar. Hij wordt nu gebouwd door de firma Coles, als de Coles type 4104Commentators’ Microphone. Zie http://www.coleselectroacoustics.com/microphones/4104-commentators-microphone

________________________________________________________________